De methode

Kijken → Kiezen → Coachen → Ontwikkelen

Een goede coach kent niet de meeste oefeningen. Een goede coach leert kijken, kiezen, coachen en ontwikkelen.

  1. 01

    KIJKEN

    Wat gebeurt er werkelijk?

  2. 02

    KIEZEN

    Wat heeft nu prioriteit?

  3. 03

    COACHEN

    Welke korte interventie helpt?

  4. 04

    ONTWIKKELEN

    Wat verandert er bij speler, team én coach?

01

KIJKEN

Wat gebeurt er werkelijk?

De meeste coaches zien te veel tegelijk. Je leert kijken naar één ding per oefening: de voeten, de eerste stap, de afstand tot de verdediger. Wat je niet benoemt, coach je ook niet.

Kijk drie herhalingen zonder iets te zeggen. Wat valt bij vier van de tien op?

02

KIEZEN

Wat heeft nu prioriteit?

Je ziet vijf dingen fout gaan. Je kiest er één. Meestal de fout die de rest veroorzaakt, of de fout die het meeste spelers raakt.

Kies de fout die het spel stopt, niet de fout die het lelijkst oogt.

03

COACHEN

Welke korte interventie helpt?

Kort ingrijpen werkt beter dan lang uitleggen. Eén cue, één herhaling, en dan weer spelen. Twintig seconden is bijna altijd genoeg.

Goed → aanpassing → opdracht. Daarna direct weer starten.

04

ONTWIKKELEN

Wat verandert er bij speler, team én coach?

Na de training kijk je terug: wat is er veranderd bij de speler, bij het team en bij jou als coach? Dat laatste wordt vaak vergeten.

Drie vragen na iedere training in je reflectie: gezien, gekozen, gewerkt?

Coachtaal zonder mist

Basketbaljargon, uitgelegd met een schema

Je hoeft geen basketbaltaal te spreken om goed te coachen. Maar het helpt als je weet waar iedereen het over heeft. Zes termen die je bijna elke training tegenkomt.

Spacing

De ruimte tussen spelers. Te dicht op elkaar = één verdediger verdedigt twee spelers.

“Vier grote stappen uit elkaar.”

Transition

De omschakeling van verdedigen naar aanvallen (of andersom), meteen na balverlies of rebound.

“Bal veroverd? Eerst kijken, dan lopen.”

Closeout

Hoe je naar een schutter toe verdedigt: snel dichtbij, dan afremmen met korte pasjes.

“Snel erheen, laag eindigen.”

Cut

Een snijdende loopactie zonder bal, richting basket of naar de bal toe.

“Snijd als niemand naar je kijkt.”

Screen (blok)

Een teamgenoot gaat stilstaan om de verdediger van de balbezitter tegen te houden.

“Sta stil, breed en wacht op je maat.”

Helpside

De hulpkant: de kant van het veld waar de bal níet is. Daar sta je iets naar binnen.

“Bal zien, man zien.”

Deze vier stappen zitten in iedere module, oefening en training.